Melchemie-Holland BV informatie en persberichten voor media en publiek
BRIEF AAN ARNOLD KARSKENS

Geachte heer Karskens, geachte mevrouw,

Ten vervolge op onze correspondentie van laatstelijk 1 september en het daarop volgende telefoongesprek op vrijdagmiddag 1 september met Xandra Schutte bericht ik u als volgt.

Melchemie Holland B.V. en de heer H.D. Melchers hebben grote bezwaren tegen de nu voorliggende tekst van hoofdstuk 10 onder de titel De consorten [van] Van Anraat. Naar de kern komen die bezwaren hierop neer dat Melchemie Holland op één lijn wordt gesteld met Van Anraat; alsof Melchemie Holland direct betrokken was bij de fabricage van mosterd- en zenuwgassen in het Irak van de jaren ’80.

Al eerder heb ik u erop gewezen dat Melchemie Holland gewasbeschermingsmiddelen heeft geleverd en dat eerst later is gebleken van  misbruik van die producten. Melchemie Holland heeft geen producten geleverd in strijd met enig voorschrift krachtens artikel 11 van de Wet financiële betrekkingen buitenland jo. art. 1 van het Besluit financieel verkeer strategische goederen. De enige uitzondering hierop betreft de twee containers POCL3 (fosforoxychloride). Deze twee containers werden vanuit Italië verscheept naar Irak en zijn tijdig onderschept en in verzegelde staat geretourneerd. De directie van Melchemie Holland heeft de export van dit product gelukkig tijdig ontdekt en ongedaan gemaakt. De strafbare overtreding van genoemde Wet en Besluit was echter inmiddels een feit. De strafbepaling vereist niet dat het geëxporteerde product de afnemer feitelijk bereikt heeft, laat staan dat het product ook wordt aangewend door de afnemer. Terzake van deze in 1984 gepleegde overtreding is Melchemie Holland op 15 september 1985 veroordeeld tot een geldboete van NLG 100.000,-.

Voorts heb ik u bij brief van 29 juni 2006 gewezen op het verweer dat Van Anraat gevoerd heeft in de strafzaak tegen hem. Dat verweer hield in dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden doordat het openbaar ministerie Melchemie Holland en KBS niet vervolgde. Het openbaar ministerie deelde mij reeds in september 2005 mee:


Op basis van het strafdossier concludeerden zowel het openbaar ministerie als de Rechtbank Den Haag dat de leveranties van Frans van Anraat niet vergelijkbaar zijn met die van KBS en Melchemie, zodat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel indien Van Anraat wel wordt vervolgd en genoemde bedrijven niet.

In weerwil van het vorenstaande wordt in hoofdstuk 10 de onontkoombare suggestie gedaan dat het handelen van Melchemie Holland op één lijn gesteld kan worden met dat van Van Anraat. Dat is feitelijk onjuist, lasterlijk en onrechtmatig jegens mijn cliënten.

In ons telefoongesprek van 1 september 2006 deelde u mij mee dat het gestelde in hoofdstuk 10 (mede) gebaseerd is op het FFCD-rapport en dat het ministerie van buitenlandse zaken het hoofdstuk geautoriseerd heeft. Ik heb diezelfde middag contact opgenomen met het departement. Mij is door de directeur Voorlichting en Communicatie van het departement,
drs. J.P.M. Peters, na overleg met de heer mr. G.H. van den Borne van de Dienst Juridische Zaken, het volgende meegedeeld. De heer Karskens heeft met een beroep op de WOB inzage in documenten verkregen. Er werden aan Karskens geen afschriften verstrekt. Bovendien diende hij bij het weergeven van BZ-bronnen deze te anonimiseren. Dat laatste is door het ministerie gedaan op basis van een voorlopig definitieve versie van het hoofdstuk. Daarbij is uitsluitend beoordeeld of Karskens zich conform voorschrift heeft gehouden aan de eis van anonimiseren. Van autorisering van hoofdstuk 10 is geen sprake.

Bovendien is mij meegedeeld dat Karskens niet het FFCD-rapport als zodanig en integraal heeft mogen inzien. Tenslotte heeft het ministerie mij meegedeeld dat ik dezelfde stukken kan inzien als Karskens. Dat zal ik op zo kort mogelijke termijn doen.

Het gaat in deze kwestie om feiten van meer dan 20 jaar geleden. Dat maakt het voor mijn cliënten lastig om nu nog gedocumenteerd de feitelijke onjuistheid van Karskens’ verwijten en suggesties te ontzenuwen. Vast staat dat de Economische Controle Dienst (ECD) ook na genoemde strafzaak controles heeft gedaan bij Melchemie Holland. Daarbij is nimmer gebleken van overtredingen van de geldende voorschriften.

U kunt ervan verzekerd zijn dat Melchemie Holland en de heer Melchers het buitengewoon betreuren dat gewasbeschermingsproducten misbruikt zijn voor de chemische oorlogsvoering. Dat zulks gebeurd is lijkt aannemelijk, al is niet bekend in welke mate dat is gebeurd.

Het afgelopen weekend hebben de heer Melchers en voormalig medewerkers van Melchemie Holland hoofdstuk 10 kritisch beoordeeld. Ik zond u reeds de tekst van een e-mail van de heer Melchers aan mij welke tekst hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De tekst voeg ik ten overvloede bij als bijlage 1.

Het valt op dat de nu voorliggende tekst van hoofdstuk 10 aanmerkelijk is aangescherpt ten detrimente van Melchemie Holland en de heer Melchers in vergelijking met de concepttekst zoals deze mij op 21 juni 2006 door de heer Karskens werd toegezonden per e-mail.

Ik verwijs naar de volgende documenten, waarvan de inhoud hier als herhaald dient te worden beschouwd:

  • bijlage 2: eerste concepttekst van Karskens, mij per e-mail van 21 juni 2006    

                      toegezonden;

  • bijlage 3: idem, maar voorzien van gedetailleerd commentaar (in blauw) en door mij

                      per e-mail verzonden aan Karskens op 29 juni 2006;

  • bijlage 4: mijn brief van 29 juni 2006 aan Karskens met algemeen commentaar op de

                      eerste concepttekst van Karskens;

  • bijlage 5: vergelijking leveranties volgens Karskens en volgens Melchemie Holland;
  • bijlage 6: ingezonden mededeling gepubliceerd in Trouw van 29 juli 2004;
  • bijlage 7: mijn e-mail van 3 juli 2006 aan Karskens;
  • bijlage 8: idem als bijlage 7, nu met ontwijkende reactie van Karskens en mijn verzoek

                     aan Karskens om concreet te maken hoe hij mijn commentaar zal

                     verwerken;

  • bijlage 9: mijn brief van 19 juli 2006 aan Meulenhoff omdat een reactie van

                      Karskens uitbleef.

Omdat ik van de heer Karskens geen bevredigend antwoord kreeg, laat staan een nieuwe tekst, heb ik mij op 19 juli 2006 met de hiervoor bedoelde bijlage 9 tot Meulenhoff gewend als de uitgever van de voorgenomen publicatie. Bij brief van 25 juli 2006 liet de uitgeefdirecteur van Meulenhoff weten dat Karskens met vakantie was tot begin augustus. Daarna zou ik nader vernemen.

Eerst bij brief van 28 augustus 2006 (bijlage 10) zond Meulenhoff mij ‘de definitieve passages in drukproef’. Dat document behelst hoofdstuk 10,  De consorten [van] Van Anraat. (bijlage 11). Ik kreeg de gelegenheid om uiterlijk 31 augustus deze tekst te becommentariëren. Tegen de achtergrond van het voorgaande is daarmee niet op passende wijze uitvoering gegeven aan het beginsel van hoor- en wederhoor. In ons telefoongesprek van 1 september heb ik u dat voorgehouden en hebt u ermee ingestemd dat ik zo snel als redelijkerwijs mogelijk is commentaar zou geven.

Op basis van hetgeen de heer Melchers en voormalige medewerkers van Melchemie Holland zich weten te herinneren en voorts op basis van nader dossieronderzoek maak ik nog de navolgende opmerkingen.

  • De heer Melchers wees in zijn e-mail (zie bijlage 1) al op de negatieve connotatie van De consorten [van] Van Anraat. In combinatie met de kwalificatie sleutelvoorloper van het blaartrekkende mosterdgas wordt de suggestie versterkt dat Melchemie Holland geen haar beter was dan Van Anraat. Hetzelfde geldt voor: zwaaien de deuren wagenwijd open. Voorts wijs ik op pagina 172: verder weet de directie zogenaamd nergens vanenook daar had Van Anraat een handje van; hij schoof de schuld graag in de schoenen van …en overtuigend klinkt de ontkenning niet.
  • Op bladzijde 170 wordt melding gemaakt van een order ter waarde van $ 10 miljoen in maart 1984. Een dergelijke order is Melchemie Holland niet bekend. Ik meen dat de heer Karskens gehouden is met het bewijs ter zake te komen. Dat geldt ook voor de bewering, althans de suggestie dat de relatie tussen SEPP en het gifgascomplex Muthanna State Establishment aan Melchemie Holland destijds bekend was. Dat die relatie later bekend is geworden, rechtvaardigt niet dat nu in hoofdstuk 10 gesuggereerd wordt dat Melchemie daarvan op de hoogte moet zijn geweest.
  • Op bladzijde 170 derde alinea wordt verwezen naar de The Deadly lobby, p.148-149 en
    Jerusalem Post van 24 november 1986. Mijn cliënten kennen die stukken niet. Ik verzoek u mij kopieën van die bladzijden en van het artikel Iraq making deadly form of nerve agent toe te zenden. Eerst dan kan ik beoordelen of een beroep op die bronnen deugdelijk is.
  • Met betrekking tot exportmanager Weijman merk ik op dat ten onrechte niet vermeld is in de tekst dat deze functionaris destijds disciplinair gestraft is. Ik zie niet in waarom de naam van deze exportmanager ruim 20 jaar na dato vermeld moet worden. De heer Weijman heeft aanspraak op bescherming van zijn privacy waarvoor Melchemie Holland mag opkomen. Dat geldt ook voor de heer Melchers.
  • Ten tijde van de gewraakte bestelling POCL3 was het bij Melchemie Holland natuurlijk niet bekend dat fosforoxychloride gebruikt zou kunnen worden voor de productie van gifgas. Zoals u weet is de bestelling niet feitelijk afgeleverd. Evenmin was Melchemie Holland, als gezegd, op de hoogte van het bestaan van het gifgascomplex Muthanna State Establishment. Na de inbeslagneming bij Melchemie Holland begin 1985 door de ECD is een strikt regiem gevoerd met betrekking tot transacties met Irak. Voorafgaand aan elke leverantie werd het dossier (met de naam van het product, de hoeveelheid, de naam van de afnemer etc) ter bestudering voorgelegd aan de Centrale Dienst in- en uitvoer in Groningen (ressorterend onder het ministerie van economische zaken). Voor elke levering –ongeacht het product– na begin 1985 is een exportvergunning verleend, dus ook voor de levering van NACN vanuit Irak naar de VS, alwaar het in de mijnbouw is verwerkt.
  • Voorts heeft de ECD, als gezegd, sedert de POCL3-kwestie meerdere malen controles gehouden. Die hebben nimmer geleid tot een constatering van overtredingen.
  • Karskens verwijt Melchemie Holland dat zij zich niets aantrok van waarschuwingen van de zijde van de overheid. In dit verband en ter ontzenuwing van dit verwijt wijs ik u op een brief van 11 maart 1986 van Melchemie Holland aan de minister van buitenlandse zaken (bijlage 12). Op genoemde dag vond een telefoongesprek plaats met het ministerie van economische zaken. In bijlage 13 vindt u het verslag van dat gesprek. Op 18 maart 1986 antwoordde het ministerie van economische zaken (de directeur-generaal van de buitenlandse economische betrekkingen) mede namens het ministerie van buitenlandse zaken op de brief van 11 maart 1986. In deze brief (bijlage 14) wordt er bij Melchemie Holland op aangedrongen om geen thionylchloride (een sleutelvoorloper) te leveren aan Irak.
    Bij brief van 13 mei 1986 (bijlage 15) laat Melchemie Holland weten gevolg te zullen geven aan het verzoek van de overheid.
  • Op pagina 173 wordt melding gemaakt van de uitkering door de Nederlandse Credietverzekerings Maatschappij (NCM) van $ 2 miljoen. Dat had betrekking op een leverantie die toegestaan was. Voor de verzekering was de premie betaald. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat de ‘Nederlandse belastingbetaler’ die $ 2 miljoen heeft moeten ophoesten. Dat is feitelijk onjuist. De suggestie is echter onontkoombaar en geschikt om Melchemie Holland te karakteriseren als een onderneming die over lijken gaat en voor wier stroppen de Nederlandse belastingbetaler moest opdraaien.
  • De nu voorliggende tekst roept, zoals uit het voorafgaande is gebleken, ernstige twijfel op aan de intentie waarmee de heer Karskens te werk is gegaan. De aanvulling (ten opzichte van de oorspronkelijk in juni toegezonden concepttekst) vanaf bladzijde 176 over Barend ter Haar kunnen mijn cliënten dan ook niet zonder meer aanmerken als een getrouwe weergave. Ik zal dat met het ministerie van buitenlandse zaken bespreken. Ik kom daarop mogelijk dus nog terug. Ik merk nu reeds op dat de heer Karskens zich niet heeft gehouden aan de eis dat de namen van de betrokken Nederlandse bedrijven en directeuren niet mochten worden vermeld. Het gestelde op pagina 176 e.v. is wederom geschikt om Melchemie Holland en de heer Melchers ruim 20 jaar na dato in een kwaad daglicht te stellen. Anders dan de tekst suggereert, heeft Melchemie Holland steeds contact onderhouden met de bevoegde autoriteiten en zich juist niet schuldig gemaakt aan verboden leveranties.

Tegen deze achtergrond meen ik dat publicatie van hoofdstuk 10 in het boek Geen cent spijt over Van Anraat jegens mijn cliënten onrechtmatig is. Ik meen dat het gehele hoofdstuk dient te worden geschrapt. In het vorenstaande heb ik u daarvoor de argumenten aangedragen. Indien de heer Karskens en Meulenhoff desondanks overgaan tot publicatie inclusief hoofdstuk 10 op basis van de thans voorliggende concepttekst waarvan de strekking is dat Melchemie Holland op één lijn wordt gesteld met de activiteiten van Van Anraat en voorts met de feitelijke onjuistheden als hiervoor vermeld, zullen de heer Melchers en Melchemie Holland auteur, uitgever en hoofdredacteur aansprakelijk houden voor de daardoor te lijden schade, welke gevorderd zal worden in een bodemprocedure. Voor zover nodig sommeer ik laatstgenoemden dan ook dat zij zich zullen onthouden van publicatie van hoofdstuk 10 en mij binnen vijf dagen, dus uiterlijk vrijdag 8 september 2006 14.00 uur, te laten weten of u aan deze sommatie gehoor zult geven. Hoor ik niet (tijdig) van u dan zal ik mij vrij achten zonder nadere aankondiging over te gaan tot het treffen van rechtsmaatregelen.

Met vriendelijke groet,

Herman Doeleman